#278 Is God in Staat Kwaad uit te Voeren?
December 26, 2018
Q
Beste dr. Craig,
Ik hoop dat u het niet erg vindt een vraag van een atheïst te beantwoorden, als de vraag serieus en met de grootste respect wordt gesteld. Mijn vraag betreft God en moraliteit. Ik heb u horen zeggen dat God “essentieel” goed is, waar ik aanneem dat u bedoelt dat God’s goedheid een noodzakelijk deel van Zijn wezen en karakter is. Ik heb u ook horen zeggen dat almachtig zijn in het geval van God niet de vaardigheid meetelt die tegen Zijn eigen aard in zou gaan. Dit schijnt te impliceren dat God niet in staat is kwaad uit te voeren.
Dus mijn eerste vraag, V1, is: is God in staat kwaad uit te voeren?
Als het antwoord “nee” is, dan is het voor mij niet duidelijk hoe God geacht kan worden goed te zijn, vooral als een belangrijk deel van het goed zijn zou betekenen dat er de vaardigheid is kwaad te doen, maar dat het kwaad doen niet wordt gekozen. Als God niet in staat is kwaad uit te voeren, is Hij dan niet een soort morele automaat of machine, en is Hij dan niet waardig om te worden geprezen (tenminste in de morele zin)?
Als het antwoord op V1 aan de andere kant iets is als “Ja, Hij kan kwaad uitvoeren, maar kiest altijd geen kwaad,” dan zou dit betekenen dat er een “mogelijke wereld” is waarin Hij kwaad doet (want welke andere betekenis van het woord “kunnen” is er?). De vraag wordt dan V2: hoe zouden bewoners van deze mogelijke werelden aan God’s kwade daden moeten reageren? Zou het kwaad in die werelden goed zijn (een contradictie) of zou God slecht zijn (wat de noodzakelijkheid van Zijn goedheid tegenspreekt)? (Ik realiseer me dat de vraag misbruik van de term “mogelijke wereld” toestaat, maar ik denk dat u mijn gedachtengang kunt volgen.)
Met dit vraag en antwoord-ontwerp, waar men één vraag stelt alsof hij één kogel afvuurt, is het moeilijk om een serieuze discussie te houden, dus ik hoop dat u mij zult vergeven als ik sommige van uw mogelijke antwoorden probeer te anticiperen en als ik kort op deze antwoord.
A1: Ja, God kan kwaad uitvoeren, maar er is geen mogelijke wereld waarin Hij kwaad uitvoert.
A1R1: Het is moeilijk om te zien wat het werkwoord “kunnen” zelfs in deze context betekent.
A2: Ja, God kan kwaad uitvoeren, maar er is geen mogelijke wereld waarin Hij kwaad wilt uitvoeren.
A2R1: Er zou nog steeds een mogelijke wereld zijn waarin Hij kwaad uitvoert, net als dat er wordt verwacht dat mensen dingen tegen hun wil in doen.
A3: Nee, God kan geen kwaad uitvoeren. Maar Hij is nog steeds waardig om te worden geprezen, simpelweg omdat het een deel van zijn essentiële aard is om te worden geprezen.
A3R1: Dit zou betekenen dat God’s goedheid totaal een andere soort goedheid is dan de goedheid van mensen, die alleen prijzenswaardig worden vanwege hun vrije keuzes. Maar hoe moeten we dan de bijbelse notie, dat we volgens God’s beeld zijn gemaakt (die ik altijd heb begrepen als tenminste onze gedeelde status als morele wezens), interpreteren?
A3R2: Dit schijnt de noties van goedheid van prijzenswaardigheid nogal zinloos te maken zoals ze op God van toepassing zijn. Ze worden totaal losgemaakt van de betekenis die wij normaal aan deze termen geven.
Dank u voor uw tijd om mijn vraag te overwegen.
David,
Australië
Dr. craig’s response
A
Ik hou van serieuze vragen van atheïsten, David! Je vragen zou ook nog eens goede.
Ja, ik affirmeer dat God’s essentiële goedheid betekent dat goedheid een eigenschap is die God nooit kan missen. Inderdaad, volgens mijn theorie is God gewoon het paradigma van goedheid in elke mogelijke wereld. Dit impliceert dat God geen kwaad kan uitvoeren, omdat het tegen Zijn aard zou zijn.
Dus het antwoord op vraag V1, “[I]s God in staat kwaad uit te voeren?” is “Nee.” Hieruit volgt dat V2 evenals AR1 en AR2 verloren gaan.
Als antwoord nu op een negatief antwoord aan V1, druk je enige belangrijke zorg uit. Ten eerste dat “[het] niet duidelijk hoe God geacht kan worden goed te zijn, vooral als een belangrijk deel van het goed zijn zou betekenen dat er de vaardigheid is kwaad te doen, maar dat het kwaad doen niet wordt gekozen.” Ik denk dat je hier morele waarde met morele plichten, David, verwart. Vrijheid van de wil is belangrijk voor morele verantwoordelijkheid, voor morele prijzenswaardigheid en schuld, bij het uitvoeren van de morele plicht. Maar het feit dat God het paradigma van morele waarden is vereist alleen dat Hij bepaalde kwaliteiten zoals aardig zijn, eerlijkheid, medelijden enzovoorts heeft, wat de inhoud van morele goedheid bepaalt.
Je tweede zorg is passender: “Als God niet in staat is kwaad uit te voeren, is Hij dan niet een soort morele automaat of machine, en is Hij dan niet waardig om te worden geprezen (tenminste in de morele zin)?” Hier is de bewering dat een wezen, dat de vrijheid om kwaad te doen mist, niet kan worden geprezen voor het vervullen van zijn morele plichten. Het lijkt mij dat er hier een aantal antwoorden mogelijk is.
Ten eerste, je neemt aan dat vrijheid de vaardigheid om het tegenovergestelde te doen impliceert. Ik wordt bewogen dit als onwaar te zien. Denk eens aan de bekende illustratie van iemand wiens brein, zonder dat hij het weet, door een gestoorde wetenschapper met allerlei van afstand bestuurde elektrische draden wordt bestuurd, en de wetenschapper is een Obama-supporter. Als de man de stemruimte ingaat en voor Obama stemt, doet de gestoorde wetenschapper niets. Maar als hij voor Romney stemt, activeert de gestoorde wetenschapper de draden, waardoor hij voor Obama stemt. Nu heeft de man duidelijk geen macht om voor Romney te kiezen. Maar als hij voor Obama stemt, is het dan niet door zijn vrije wil? De wetenschapper deed tenslotte niets in dit geval! Het is net alsof de man helemaal niet met draden werd aangestuurd. Dit gedachte-experiment suggereert dat wat cruciaal is voor vrijheid van de wil, niet de capaciteit is het tegenovergestelde te kiezen, maar de absentie van externe causale beteugelingen, waarbij het goede vrijwillig wordt gekozen. Dus Hij is helemaal geen morele machine, maar een vrije doenende persoon.
Ten tweede, bij mijn favoriete Theorie van Goddelijke Geboden betreffende ethiek, komen morele plichten erbij als resultaat van goddelijke imperatieven. Onze morele plichten worden opgezet door God’s geboden. Omdat God nu, zoals het wordt aangenomen, geen geboden Zichzelf oplegt, heeft Hij letterlijk geen morele plichten om te vervullen. Als God geen morele plichten vervult, in welke zin is Hij dan moreel prijzenswaardig? Hier is Immanuël Kant’s onderscheid tussen handelen vanuit plicht en handelen volgens plicht. God mag vrijwillig handelen op manieren die in ons geval het volgen van regels zou zijn en dus prijzenswaardig op een analogische manier. Dit concept helpt ons de zin, waarin God moet worden geprezen, te begrijpen: niet in de zin van aanbeveling vanwege volledige uitvoering van Zijn plichten (want Hij heeft er geen), maar eerder in de zin van adoratie voor Zijn morele perfectie.
Dit wilt niet zeggen dat “[Hij] nog steeds waardig om te worden geprezen, simpelweg omdat het een deel van zijn essentiële aard is om te worden geprezen” AR3 betreffend. Ik ben het met je eens dat zo’n antwoord “de noties van goedheid van prijzenswaardigheid nogal zinloos [schijnt te] maken zoals ze op God van toepassing zijn.” Ik geef liever een verklaring van God’s gegronde morele waarden, Zijn vrijheid, en Zijn relatie tot morele plicht waardoor deze noties verklaard worden. Als een vrije persoon, die van al deze verschillende morele perfecties een voorbeeld is en die vrijwillig met relatie tot plicht handelt, is God goed in een zeer herkenbare zin.
– William Lane Craig
Wil je het volledige artikel?
Je bekijkt momenteel een samenvatting van dit artikel.
Je kunt hier verder lezen op CrossExamined of het volledige artikel bekijken op de website van onze partnerorganisatie.